Computer output
Al in de jaren 1980 ontwikkelde Océ een digitale printer voor het afdrukken van gegevensbestanden die gegenereerd werden door grote (mainframe)computers zoals van IBM. De output van zo’n computer bestond uit alfanumerieke tekens (letters en cijfers) met informatie over de onderlinge samenhang. In het begin (jaren 1960) werd de output vooral afgedrukt met behulp van automatische schrijfmachines en matrixprinters, op kettingformulieren.
Elektrofotografische kopieermachines, met hun hogere snelheid,
waren een aantrekkelijk alternatief. Daarvoor moesten die worden omgebouwd om zelf alfanumerieke beelden te vormen en te projecteren op de fotogeleider. De programmatuur voor de beeldvorming werd uitgevoerd door een computer, de zg. controller. Zo’n controller kon niet veel meer dan letters vormen en op de goede plaats zetten. Océ bouwde hiervoor de Océ 6750 computer output printer, een doorontwikkeling van de Océ 1900 kopieermachine.
Deze werd op de markt gebracht in 1986.
In de 6750 werd een lichtbeeld gevormd door een moduleerbare laserstraal die met hoge snelheid over het opgeladen master werd gestuurd. De laserstraal werd bewogen door een ronddraaiende spiegeleenheid gebouwd door het Japanse Topcon.
Kantoor automatisering
De laser-printer kreeg een belangrijke rol in de kantoorautomatisering, waarbij de schrijfmachines van kantoorwerkers werden vervangen door
tafelcomputers en later door Personal Computers (PC’s, geïntroduceerd door IBM).
Océ was in 1980 zulke kantoorsystemen ook gaan verkopen, aanvankelijk met werkstations en automatische schrijfmachines en regeldrukkers van het Amerikaanse CPT, onder de naam Océ 8000 systeem.
Later (1988) ontwikkelde Océ zijn eigen 6000 Office Automation System, dat verschillende werkstations verbond. CPT werkstations werden vervangen door PCs met softwarepakketten zoals WordpPerfect. Steeds was de Océ 6750 de trouwe uitvoereenheid, naast tafelmodel printers.
Intussen werd (elders) een digitaal netwerksysteem ontwikkeld dat alle werkstations en printers met elkaar kon verbinden, het Local Area Network (LAN). Dit veroverde in sneltreinvaart het hele kantoorlandschap. Voor een beschrijving van de digitale netwerktechnieken en hun toepassing wordt hierbij verwezen naar het hoofdstuk “Digitale Systemen”.
De Océ 6750 bleef in productie tot in 1995 zijn werk werd overgenomen door
de Océ Varioprint 3165, een gedigitaliseerde versie van de Océ 3045-serie copiers. De Océ 3165 beschikte over een scanning-eenheid, en was in eerste instantie ontwikkeld als digitale kopieermachine. Hij werd echter tijdens zijn ontwikkeling al voorzien van een aansluiting aan een LAN, met bijbehorende controller. In deze machine werd de beeldmatige belichting uitgevoerd door een array van LEDs.
In Venlo werd de printtechniek van de Océ 3165 gebruikt voor talrijke opvolgers. Een verhoging van de printsnelheid werd in 2007 bereikt met de Océ Varioprint 6000 Gemini, die met twee geheel gelijke afdrukeenheden voor- en achterkant van een vel papier tegelijk bedrukte.
Breedformaat en beeldbewerking
Ook in de breed-formaat markt bracht Océ digitale kopieermachines op de
markt, zoals de Océ 9800 en de kleinere Océ 9400, beide in 1995.
Beelden uit een scanner zijn betrekkelijk onscherp wegens onvolkomenheid van de scan-optica en moeten daarom intensief bewerkt worden om ze geschikt te maken voor een printer. De bewerking bestaat o.a. uit digitale filters, en is ingewikkeld vanwege de voor die tijd gigantische gegevensbestanden, zeker in breedformaat-apparaten. De programmatuur voor deze bewerkingen is binnen Océ vooral ontwikkeld bij de breedformaat-projecten en werd dankbaar overgenomen en doorontwikkeld in de kantoor-projecten.
Hogesnelheidsprinters
In 1996 nam Océ de hogesnelheidsprinter-divisie van Siemens-Nixdorf over. Dit bedrijf, in Poing vlakbij München, bouwde zeer grote printers voor zeer grote printvolumes bij zeer hoge printsnelheden (enkele honderden tot wel 1000 beelden per minuut), een gebied waar Océ tot dan toe niet actief was. Vanwege de printsnelheid gebruikten deze machines papier op de rol of kettingformulieren. Voor de beeldvorming werden vergelijkbare technieken gebruikt als bij Océ, maar de controller had een geheel eigen structuur. Deze printers waren bedoeld voor printdata uit grote computers en mainframes, waarmee Océ in dezelfde omgeving terugkwam als zijn eerste digitale printer, de Océ 6750.
Kleurenprinters
Toen Océ besefte dat de markt in toenemende mate (ook) om gekleurde documenten vroeg, werd er in Venlo begonnen aan de ontwikkeling van een kleurenprinter.
Deze, de Océ CPS700, bevatte een onconventionele afdruktechniek, “direct
imaging”. Hierbij werd geen gebruik meer gemaakt van een oplaadbaar master en van licht, maar werd gekleurde toner direct ontwikkeld op een van elektroden voorziene wals. Een aantal van zulke walsen zijn opgesteld rondom een trommel, die het verzamelde tonerbeelden samengesteld overzet op ontvangstpapier.
Vanwege de magnetische eigenschappen van de gekleurde toner kon geen gewone mengkleur worden gemaakt, maar werden mengkleuren gemaakt met zeven verschillende kleuren tonerdeeltjes die naast elkaar werden geplaatst. Voor deze zg. additieve kleurmenging werd een aangepaste beeldbewerking ontwikkeld.
Het eerste product kwam in 2001 op de markt, maar tenslotte bleek deze techniek te complex en duur voor een printmarkt die intussen al voorzien was van kleurenprinters met vier kleuren (subtractieve kleurmenging). In 2013 werd de CPS-lijn beëindigd.
Intussen bood Océ al vanaf 2006 een kleurenprinter/copier (Océ CS 600)
aan die een KonicaMinolta machine met de superieure Océ kleurencontroller combineerde.
Vanaf de overname van Océ door Canon, Inc. in 2009 werd de kleurenhardware van KonicaMinolta vervangen door de Canonprinters ImageRunner en ImagePress.
